Home > Werk en sociale zaken > Eu nieuws >

Transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden: ontwerpwetgevingsresolutie Europees Parlement

27 november 2018 - door Hanne De Roo

De rapporteur van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, Enrique Calvet Chambon, heeft een ontwerpwetgevingsresolutie aangenomen over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie.

Transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden: ontwerpwetgevingsresolutie Europees Parlement

In de toelichting bij de ontwerpwetgevingsresolutie over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie staat er dat het van cruciaal belang is dat beide medewetgevers de uitdaging aangaan en zich ertoe verbinden vóór het einde van de zittingsperiode in 2019 overeenstemming te bereiken. Dit, teneinde aan de verwachtingen van de burgers te voldoen en een positieve bijdrage te leveren aan hun welvaart.

 

Drie doelstellingen voor de richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden

Volgens de rapporteur heeft de richtlijn drie doelstellingen:

 

1. Vormgeving van de Europese pijler van sociale rechten

In de eerste plaats voorziet de richtlijn in een concretere vormgeving van de in de interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten erkende rechten, die op 17 november 2017 gezamenlijk is afgekondigd in Göteborg. De richtlijn heeft met name tot doel bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van meerdere in de pijler neergelegde beginselen, in het bijzonder beginsel 5 (veilige en flexibele werkgelegenheid) en beginsel 7 (informatie over arbeidsvoorwaarden en bescherming bij ontslag).

Deze richtlijn stelt een aantal universele minimumrechten voor EU-burgers en -werknemers vast in antwoord op de dringende vraag van het publiek en de wens om de burgers dichter bij de EU te brengen, door hen het gevoel te geven dat Europa belangrijk is voor hen én zij belangrijk zijn voor Europa. Het voorstel voorziet met name in een maximumduur voor de proeftijd van zes maanden (tenzij een langere periode gerechtvaardigd is), het recht om voor andere werkgevers te werken door zogenaamde exclusiviteits- en onverenigbaarheidsclausules te verbieden en het recht op een grotere voorspelbaarheid van de arbeidstijd voor werknemers met variabele werkuren.

Het spreekt voor zich dat er grenzen moeten worden gesteld aan deze universele minimumrechten, waarbij het aan de lidstaten wordt overgelaten om deze desgewenst te verbeteren. Ook moet duidelijk worden gemaakt dat de praktische tenuitvoerlegging van deze rechten alleen op het niveau van de afzonderlijke lidstaten kan plaatsvinden.

Het gaat er niet alleen om het subsidiariteitsbeginsel toe te passen, maar ook om een praktische, op decentralisatie gebaseerde aanpak te volgen, aangezien elke arbeidsmarkt in Europa het product is van eeuwenlange culturele ontwikkelingen, uiteenlopende productiemethoden, verschillende financiële omstandigheden en zelfs het heersende klimaat.

Een uniforme aanpak zou absurd zijn. De richtlijn zal daarom ten uitvoer worden gelegd aan de hand van de respectieve omzettingswetgeving van de lidstaten.

Voorts moet erop worden gewezen dat de rol van de sociale dialoog en collectieve overeenkomsten deel uitmaakt van het DNA van een sociaal Europa en er dus een grotere rol moet worden toegekend aan de sociale dialoog in al zijn vormen om deze minimumrechten te ontwikkelen, aan te vullen, te verbeteren, in de praktijk te brengen en te versterken op nationaal niveau.

 

2. Totstandkoming van een sociaal rechtskader

Ten tweede draagt de richtlijn op deze manier in belangrijke mate bij aan de totstandkoming van een sociaal rechtskader waarin de vrije concurrentie en volledige mobiliteit van burgers, ook wel "gelijk speelveld" genoemd, kunnen worden ontwikkeld. Het vrije verkeer van werknemers en burgers is een elementair recht van EU-burgers en een onmisbaar instrument om de werkloosheid terug te dringen en economische en sociale convergentie tot stand te brengen.

Europa – of het nu een sociaal Europa blijft of niet – wil echter dat deze mobiliteit en vrije concurrentie tot stand komen met inachtneming van de basisrechten van werknemers, d.w.z. dezelfde minimumnormen voor iedereen. We kunnen de normen niet over de hele linie verhogen door mobiliteit en kostenconcurrentie te verhinderen, maar mogen niet toestaan dat concurrentie de overhand krijgt ten koste van sociale en arbeidsrechten die essentieel zijn voor werknemers. De soms zeer gedetailleerde regels die gelden in Europa zijn ingevoerd met het oog op een goede werking van de interne markt en de ontwikkeling van de vier fundamentele vrijheden van verkeer.

Nu is het tijd om de minimumregels inzake arbeidsverhoudingen en werknemersrechten uit te werken, en dat wordt in deze richtlijn gedaan – 27 jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn schriftelijke verklaringen in 1991 – middels een actualisering en verduidelijking van de regels. De interne markt zal nooit voltooid of volledig geïntegreerd zijn zonder de volledige totstandbrenging en tenuitvoerlegging van het vrije verkeer van werknemers, of zonder gemeenschappelijke minimumregels inzake arbeidsvoorwaarden.

 

3. Rekening houden met nieuwe vormen van werk

Ten slotte is het duidelijk dat het voorstel ook betrekking heeft op nieuwe vormen van werk, zowel vormen van werk die we al kennen als vormen van werk die zullen ontstaan naarmate de nieuwe technologieën zich razendsnel verder ontwikkelen. In dit verband is het voorstel een reactie op de recente resoluties waarin het Parlement de Commissie heeft verzocht de richtlijn te herzien om rekening te houden met nieuwe vormen van werk en voor elke werknemer een kernpakket rechten te garanderen, ongeacht het soort contract of arbeidsbetrekking.

Het is duidelijk dat de EU elke vorm van uitbuiting en elk gebrek aan bescherming van werknemers in nieuwe, flexibelere, creatievere, aanpasbare enz. vormen van werk wil voorkomen, aangezien dit in strijd zou zijn met het Europees sociaal model. Zonder aan flexibiliteit (vaak een voordeel voor werknemers) of aanpassingsvermogen in te boeten, mogen deze nieuwe vormen van werk geen afbreuk doen aan het minimumrecht van werkzoekenden op informatie en transparantie. In het voorstel wordt gesuggereerd dat aan alle werknemers van de Unie geactualiseerde en gedetailleerde informatie over de arbeidsverhouding moet worden verstrekt.

Verder is het van belang steun uit te spreken voor de inspanningen van de Commissie om het personele toepassingsgebied van de richtlijn te verduidelijken door de invoering van de definitie van het begrip "werknemer" op basis van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) teneinde de status van werknemer te bepalen. Het toepassingsgebied zal tevens worden uitgebreid door de mogelijkheden die de lidstaten hebben om werknemers in korte arbeidsverhoudingen of arbeidsverhoudingen op oproepbasis uit te sluiten, te beperken.

 

Volgende stappen

Op 15 november 2018 heeft de plenaire vergadering van het Europees Parlement beslist over te gaan tot de interinstitutionele onderhandelingen (trialogen).

Relevante documenten vindt u hier terug.

Belgische parlementsleden in de Commissie Werkgelegenheid: Claude ROLIN (EVP) en plaatsvervangers: Maria ARENA (S&D), Helga STEVENS (ECR), Tom VANDENKENDELAERE (EVP).

 

Jouw VLEVA contact voor dit thema

Maak een account aan

Volg ons