U heeft thema's geselecteerd om te volgen, maar deze worden niet opgeslagen zolang u niet bent ingelogd. Login of registreer om deze thema's te blijven volgen.

H2020 - Intra-EU mobility and its impacts for social and economic systems (REV-INEQUAL-04-2016)

Deadline

Doelstellingen

Specific Challenge:

Free movement is not only a fundamental principle of the European single market, but also a fundamental right of European citizens entitling them to move freely across borders and reside anywhere in the EU. With the 2004 and 2007 enlargements and, more recently, with the lifting in 2014 of the last transitional restrictions on free movement of Eastern Europeans to move to the EU-15, the issue of intra-EU mobility, and particularly the mobility of EU citizens, has become heavily politicised. Negative portrayals of internal migrants, whether EU citizens or third country nationals (TCNs), in terms of economic and social costs are prevalent in the media and have also been widely used in national and European electoral campaigns.

Scope:

The research to address this challenge should in particular focus on the following key dimensions. Proposals can comprehensively address one dimension or combine them. They may include additional aspects which are relevant to addressing the specific challenge.

1) Social and economic impact of intra-EU mobility

Research should investigate patterns and networks of intra-EU mobility, i.e. of all EU citizens who are currently residing in another Member State than the Member State of citizenship as well as mobile third country nationals (TCNs), both legal and 'irregular' and their family members, possibly including involuntary migration. It should map the paths of their geographical mobility and devise a set of innovative comparative cross-country indicators of mobility. Research also needs to investigate the causes of mobility and to address the legal, economic, social and cultural factors that influence patterns and routes of mobility of male and female EU citizens and TCNs (current and emerging push and pull factors, location-specific utility).

In terms of geographical distribution, the overwhelming majority of mobile EU citizens and mobile TCNs reside in the EU-15 countries. Research should investigate the scale and impact of this group on the social and economic systems of these receiving countries. Special consideration should be given to collecting data on employment and welfare benefits. Such data could include, but should not be restricted to, the type of jobs taken on by mobile EU citizens and TCNs, whether they substitute or complement local labour, the effect on local wages and tax collection, and the use of social benefits. The responsiveness of migration flows to changes in the minimum wage should also be considered. Issues of language, including language barriers and multilingualism may also be explored. Research should consider the law relating to intra-EU migration, welfare, and the tension between social and economic rights under EU law. Projects should ascertain whether and to what extent intra-EU migration constitutes a burden on receiving state's welfare systems and job markets. The wider socio-economic spill over effect of negative trends in the job markets should also be considered.

Research may also consider the socio-economic impact on (predominantly) sending Eastern European countries including reverse migration. In this regard, issues to be explored may include remittances, loss of human capital, impact of migration on family life (separations, impact on children and the elderly) and local communities, gender, equality, demographic trends as well as the impact on the tax base and labour market. Research could compare migration flows and impacts following the so-called Eastern enlargement round with migration effects after previous accession rounds. Research could also consider whether and to what extent intra-EU mobility relates to inequalities, in particular whether and to what extent it helps to reverse or exasperates existing inequalities and/or generates new ones.

2) Perceptions on and politicisation of intra-EU mobility and representation in the media

Research should survey and examine discourses and perceptions on intra-EU mobility. The role of the media, including social media, and of political parties and other groups in opinion formation must be analysed. A representative range of Member States ought to be studied comparatively. Research could also compare, and if opportune contrast, these discourses with those following previous accession rounds and assess the connections with the development of xenophobia in Europe. It should also consider whether and to what extent discourses distinguish between intra-EU mobility and migration into the EU. Awareness and knowledge of the historical and current realities of migration, including and in particular with regard to the actual costs on the welfare systems, should be tested, and if necessary contrasted, with claims regarding threats to local employment or 'welfare tourism commonly made. Projects will also consider the role of educational systems in the EU in this regard. Research should analyse the underlying processes and dynamics of the politicisation of intra-EU mobility. It should analyse whether and how this politicisation relates to increasing inequalities in Europe. Finally, it should be explored whether and how perceptions of and attitudes towards migration are related to support for the welfare state.

The Commission considers that proposals requesting a contribution from the EU in the order of EUR 2.5 million for each dimension would allow this specific challenge to be addressed appropriately. This does not preclude submission and selection of proposals requesting other amounts.

Expected Impact:

Research will considerably enhance the knowledge base on the socio-economic impact of intra-EU mobility in general and on national welfare systems in particular. Projects will inform on the necessity of any additional regulation on intra-EU mobility and develop practical solutions. Research should make recommendations on how sending countries can harness the talents and resources of their citizens abroad. Research will reveal whether and to what extent there is synchronicity or divergence between the socio-economic effects of intra-EU migration and its perceptions and politicisation.

Budget

2016: 37,5 miljoen (indicatief)

Begunstigden

Research & innovation actions (RIA): At least three legal entities. Each of the three must be established in a different EU Member State or Horizon 2020 associated country. All three legal entities must be independent of each other.

Meer info: zie de General Annexes bij het Horizon 2020 werkprogramma 2016-2017

Jouw VLEVA-contact voor dit thema

Maak een account aan

Horizon2020

Inleiding

Horizon 2020 is het  Europese onderzoeks- en innovatieprogramma. Het is het grootste programma van de Europese Unie. Het bestaat uit drie pijlers: Wetenschap op topniveau, industrieel leiderschap en maatschappelijke uitdagingen.

Eerste pijler: Wetenschap op topniveau

De eerste pijler is grotendeels bottom-up en bestaat uit vier onderdelen: Europese onderzoeksraad, toekomstige en opkomende technologieën, Marie Skłodowska-Curie Actions en onderzoeksinfrastructuur.

De vier onderdelen van de eerste pijler zijn:

  • Europese Onderzoeksraad (ERC): subsidies voor talentvolle en creatieve individuele onderzoekers en/of hun team om grensverleggend onderzoek te doen. Alle onderzoeksdomeinen komen in aanmerking. De combinatie van verschillende domeinen is essentieel. Alle nationaliteiten komen in aanmerking, maar het onderzoek moet wel in een van de lidstaten, kandidaat-lidstaten of geassocieerde landen plaatsvinden.
  • Toekomstige en opkomende technologieën (FET): onderzoek binnen deze actie is gericht op het ontdekken van nieuwe technologieën door het combineren van verschillende onderzoeksdomeinen. De kennisbasis van de EU wordt ingezet om de EU competitiever te maken op wereldschaal én om van de EU een voorloper te maken in nieuwe, revolutionaire technieken.  
  1. FET Open: ondersteunt vroege-fase-onderzoek van een idee voor een nieuwe technologie. Er zijn geen vooraf gedefinieerde thema's. Het moedigt wetenschappers en ingenieurs uit meerdere disciplines aan om samen te werken.
  2. FET Proactive: ondersteunt nieuwe onderzoeksgemeenschappen om samen te werken aan multidisciplinair onderzoek op zoek naar nieuwe technologieën.
  3. FET flagships: visionaire, door wetenschap gedreven en grootschalige onderzoeksinitiatieven op lange termijn. Ze brengen excellente onderzoeksteams samen, over verschillende disciplinegrenzen heen, die een ambitieus stappenplan opzetten om hun onderzoeksdoel te bereiken.
  • Marie Skłodowska-Curie Actions (MSCA): de nadruk ligt op mobiliteit, carrièreontwikkeling en opleidingen van onderzoekers. Alle onderzoeksdomeinen komen in aanmerking. MSCA ondersteunt verschillende mogelijkheden voor (wereldwijde) uitwisseling van onderzoekers en ondersteunend personeel in dezelfde sector of tussen verschillende sectoren. Centraal staat het uitbouwen van competenties of projecten waarbij trainingen worden aangeboden aan doctorandi voor het uitbouwen van een succesvolle carrière.
  • Onderzoeksinfrastructuur (RI): ontwikkeling, onderhoud en gebruik van pan-Europese onderzoeksinfrastructuren. Er zijn mogelijkheden voor opleidingen en uitwisseling van personeel en onderzoekers voor het gebruiken en onderhouden van de infrastructuur. Coördinatie van het gebruik van deze infrastructuren tussen de verschillende lidstaten staat hoog op de prioriteitenlijst.

Tweede pijler: Industrieel leiderschap

De drie onderdelen van deze pijler zijn:

  • Leiderschap opbouwen in ontsluitende en industriële technologieën (LEIT): nadruk op industrie, het toepassen van nieuwe technologieën voor innovatie. Er wordt ingezet op het betrekken van private partners bij het onderzoek, in het bijzonder de kmo's. Er zijn drie onderdelen:
    • Voor ICT wordt de nadruk gelegd op het omgaan met de complexe technologie en daarnaast het sneller op de markt brengen van nieuwe systemen.
    • Cruciale ontsluitende technologieën (KET’s): nanotechnologie, geavanceerde materialen, geavanceerde fabricage en verwerking, en biotechnologie. Dat zijn sleuteltechnologieën die de komende jaren in verschillende toepassingen en sectoren kunnen worden ingezet.
    • Bij ruimteonderzoek (Space) ligt de focus op innovatieve ruimtetechnologieën en operationele concepten ‘van idee tot demonstratie in de ruimte’, en op het gebruiken van ruimtedata voor wetenschappelijke, publieke of commerciële doeleinden.
  • Toegang tot risicokapitaal (Access to Risk Finance): dit onderdeel helpt de toegang tot leningen, garanties, contragaranties, en hybride, mezzanine- en aandelenfinanciering voor bedrijven en organisaties betrokken in onderzoek.  
  • Innovatie in kmo’s (SME Instrument): het verstrekken van zowel directe als indirecte financiële steun om hun innovatievermogen te vergroten. Kmo’s maken gebruik van een specifieke procedure voor het aanvragen van subsidies. Organisaties zonder winstoogmerk kunnen alleen deelnemen als onderaannemer.

Derde pijler: Maatschappelijke uitdagingen

De derde pijler focust op maatschappelijke uitdagingen en bestaat uit zeven onderdelen:

  • Gezondheid, demografische veranderingen en welzijn: de gezondheid en het welzijn gedurende het hele leven verbeteren voor iedereen en nieuwe middelen en modellen voor zorgverlening en gezondheidszorg creëren.
  • Voedselzekerheid, duurzame landbouw, maritiem onderzoek en bio-economie: voldoende voorraad garanderen en veilig voedsel produceren met respect voor het ecosysteem. Daarnaast wil men een boost geven aan producten van biologische afkomst.
  • Veilige, schone en efficiënte energie: verminderen van het energieverbruik, verminderen van de kosten voor groene energie, alternatieve brandstoffen en mobiele energiebronnen, realiseren van een uniform Europees elektriciteitsnet, nieuwe kennis en technologieën, goede besluitvorming en betrokkenheid van het publiek en de markt.
  • Intelligent, groen en geïntegreerd transport: een milieuvriendelijk, veilig en aaneensluitend transportsysteem opzetten dat efficiënt gebruikmaakt van grondstoffen; nadruk op veiliger verkeer met minder files; van de EU een wereldspeler maken op het vlak van transportindustrie; socio-economisch onderzoek en gedragsonderzoek met het oog op het maken van beleidsaanbevelingen.
  • Klimaatactie, efficiënt gebruik van energie en grondstoffen: een economie creëren die efficiënt omgaat met energie en water, die de schokken van de klimaatveranderingen opvangt en die een duurzame toegang heeft tot grondstoffen.
  • Werken aan een inclusieve, reflectieve en innovatieve maatschappij: aanpakken van sociale uitsluiting, discriminatie en diverse vormen van ongelijkheid; nieuwe innovatievormen verkennen en het versterken van de wetenschappelijke basis voor de Innovatie-Unie, de Europese onderzoeksruimte en ander EU-beleid. Horizon 2020 moedigt samenwerking met landen buiten de EU aan en er is aandacht voor herdenkingen, identiteit, tolerantie en cultureel erfgoed.
  • Veilige maatschappijen: crisisbeheer voor allerlei rampen, met speciale aandacht voor de communicatie en voor de bescherming van cruciale infrastructuur; de strijd tegen terrorisme en andere vormen van criminaliteit; beschermen van de buitengrenzen van de EU door betere controlesystemen, maar ook door acties in landen buiten de EU, zoals conflictpreventie en vredesopbouw.

Budget

  • Pijler 1: Het luik wetenschap op topniveau bedraagt 24,4 miljard euro. Het is één van de weinige programma’s waar je tot 100% financiering kan krijgen!
  • Pijler 2: Het budget voor de tweede pijler is 17 miljard euro. Cofinancieringspercentage kan tot 100 procent, voor innovatieve projecten die zich dicht bij de markt bevinden, is er een plafond van 70 procent (niet voor non-profit).
  • Pijler 3: Dit luik van het Horizon 2020 programma bedraagt 29,7 miljard euro. Cofinancieringspercentage kan tot 100 procent, voor innovatieve projecten die zich dicht bij de markt bevinden is er een plafond van 70 procent.

Begunstigden

Wie maakt kans op subsidies uit Horizon 2020?

  • Alle juridische entiteiten.

Welke landen komen in aanmerking voor subsidies uit Horizon 2020?

  • EU-lidstaten.

Ook niet-EU-landen komen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking. Kijk voor meer informatie op http://ec.europa.eu/research/participants/docs/h2020-funding-guide/cross-cutting-issues/international-cooperation_en.htm

Info & contact

Vlaams contactpunt: www.ncpflanders.be

Lees meer
Volg ons