Eurozone blijft naar adem happen

Kanselier Merkel ontpopt zich tot keiharde dame

De Europese Unie maakte niet zo'n beste beurt in maart. Dat had vooral te maken met het  onvermogen van de Europese leiders om de ontwikkelingen in de eurozone, met voorop de Griekse budgettaire en financiële  problemen, onder controle te krijgen. Zes weken duurde het,  alvorens ze in de marge van de Lentetop, op 25 en 26 maart, een akkoord over steun aan Athene bereikten dat volgens veel waarnemers dan nog niks om het lijf had. Vooral de betrokkenheid van het International Monetair Fonds (IMF) steekt - "een teken van eigen onvermogen" volgens onder meer de Financial Times. Kritiek was er ook op  de Spartaanse voorwaarden die Duitsland aan het akkoord verbond.

Angela Merkel en Nicolas Sarkozy zwaaiden elkaar na de Europese Raad lof toe. De Frans-Duitse Entente had de Unie weer maar eens uit de problemen gehaald, luidde het. Maar die lof klonk behoorlijk hol. Duidelijk was dat het akkoord een stevig Duits stempel droeg. Dat er hoe dan ook een akkoord tot stand kwam, was een steun in de rug voor Griekenland, omdat het na de Top de kans kreeg om tegen een meer redelijke rente geld te lenen op de financiële  markten, om er zijn reusachtige staatsschuld mee onder controle te houden. Maar waar de Unie, en meer bepaald dan de 16 landen van de eurozone, grote nood aan hebben, is een stabilisering op langere termijn, luidde de kritiek. De zestien betrokken EU-lidstaten hebben een gemeenschappelijke munt, maar geen gemeenschappelijke economische coördinatie en geen steunmechanismen die een herhaling van de Griekse crisis zouden kunnen vermijden. Dat debat werd doorgeschoven naar de Wintertop, in december 2010, onder Belgisch Voorzitterschap. Een werkgroep onder de leiding van Voorzitter Herman Van Rompuy, bestaande uit vertegenwoordigers van de Europese commissie, de Europese Centrale Bank, het Belgisch Voorzitterschap en de andere lidstaten, zal dan maatregelen voorleggen. Maatregelen om buitensporige begrotingstekorten onmogelijk te maken en de lidstaten te dwingen zo snel mogelijk terug te keren naar de "budgettaire orthodoxie" die de muntunie onderschraagt. Desnoods zou zelfs het Verdrag van Lissabon in die zin aangepast worden.

Of de landen van de eurozone er verder ook in slagen om een minimum aan coördinatie van hun economisch beleid uit te bouwen, wordt de grote uitdaging van de komende maanden. De Spaanse premier José Luis Zapatero verwees in dit verband naar de EU2020-strategie, en naar het verslag over de Toekomst van Europa dat een van zijn voorgangers, Felipe Gonzalez, in mei moet voorleggen. Volgens Zapatero zou ook Gonzalez' verslag pleiten voor een verdere versterking van de rol van de Europese Raad van Staats- en Regeringsleiders. "In 2010 begon de Europese Unie, met zijn vernieuwde instellingen, aan een periode waarin het zal moeten kiezen tussen een bevestiging van zijn leiderschap of het verlies ervan", schreef het gespecialiseerde blad Europolitics de eerste maandag na de top. De voorbije maanden is de Unie niet in staat gebleken om zijn eigen opvattingen internationaal ingang te doen vinden. De EU-posities werden weggespoeld op de Klimaattop in Kopenhagen in december, en op de Cites-Conferentie in Doha (Conferentie inzake de Conventie op de handel in bedreigde soorten) werd de door de EU voorgestane internationale bescherming van de blauwvintonijn onderuit gehaald, onder meer omdat Nederland en het Verenigd Koninkrijk tegen die EU-standpunten ingingen. Soortgelijke smadelijke situaties dreigen op de komende Conventie over Biodiversiteit in het Japanse Nagoya, of de vervolgconferentie over het klimaat in het Mexicaanse Cancun, en op de volgende C20 in Seoel, eind dit jaar, aldus nog het blad.

Griekenland

De Griekenland-crisis, die andere landen uit zuidelijk Europa, maar op termijn de hele eurozone, dreigt mee te sleuren, drukte de punten die op de eigenlijke Lentetop op de agenda stonden naar de marge. Dat belet niet dat er geen beslissingen werden genomen. Op 26 maart keurde de Europese Raad unaniem vijf van de hoofddoelstellingen van de "EU 2020-strategie voor Groei en Werkgelegenheid" goed, zoals die waren opgenomen in een mededeling van de Commissie op 3 maart. Maar de staats- en regeringsleiders "schrapten" voorlopig de laatste twee doelstellingen uit het oorspronkelijke document: die over het terugdringen van de armoede en over de bijdrage van het onderwijs. Die worden doorgeschoven naar de volgende Europese Raad, op 17 juni.

Op 3 maart had de Commissie in haar mededeling over EU2020 "onderwijs" en "armoede" op dezelfde wijze behandeld als "tewerkstelling", "onderzoek en innovatie" en het "klimaat". Voor alle zeven hoofddoelstellingen stelde de Commissie meetbare streefdoelen voor. Inzake "onderwijs" wou de Commissie bijvoorbeeld mikken op een vermindering van 15 tot 10 % van het aantal jongeren dat nu nog het onderwijs verlaat zonder diploma. In de leeftijdscategorie tussen 30 en 40 jaar, zou 40 % van de Europeanen in 2020 een diploma van hogere studies op zak moeten hebben, in plaats van 31 % nu. Volgens de voorstellen van de Commissie zouden op tien jaar tijd in totaal 20 miljoen Europeanen uit de "armoede" moeten losgewrikt worden - een daling met 25% van het aantal mensen dat nu beneden de nationale armoedegrens van de lidstaten leeft. Maar al die indicatoren wekten binnen de Europese Raad verzet los. Voorlopig beperken de Europese leiders hun doelstellingen inzake armoe en onderwijs tot algemene principes. Tegen de Zomertop zouden er "meer geëigende indicatoren" moeten gevonden worden. Achtergrond is een debat over bevoegdheden. Nogal wat lidstaten vinden dat de Unie de armoedebestrijding en het onderwijs aan de lidstaten moet overlaten. Op een voorstel van Frankrijk nam de Europese Top daarentegen wel een amendement op over de bijdrage die de "landbouw" moet leveren aan de strategie van groei en tewerkstelling.

De doelstellingen die de Commissie voor "tewerkstelling", "onderzoek en innovatie" en het "klimaat" had vooropgesteld, zijn wel door de Europese Raad overgenomen. Dat betekent bijvoorbeeld dat de EU er naar streeft om binnen de tien jaar de tewerkstellingsgraad voor de leeftijdscategorie van 20 tot 64 jaar op te drijven van 69 naar 75 %. De investeringen in O & O moeten stijgen tot 3 % van het bnp, vooral door het verbeteren van de voorwaarden voor de particuliere sector om in R & D te investeren. Inzake klimaat herhalen de EU-leiders dat de uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 met tenminste 20% moet zijn verminderd, in vergelijking met de cijfers van 1990. Zoals de Commissie had voorgesteld, zullen de lidstaten nu nationale doelstellingen formuleren en nationale hervormingsplannen ontwikkelen waarin ze gedetailleerd uitleggen wat ze willen doen om de algemene doelstellingen te halen. Elk jaar zal de Europese Raad nagaan wat er van die nationale plannen en van de Europese doelstellingen, is terechtgekomen. De idee om tegen overtreders op een of andere wijze ook op te treden, komt in de verslagen van de Europese Raad evenwel niet terug.

EU2020 dook uiteraard ook op in de formele en informele vergaderingen van de Raad van Ministers die in de loop van maart onder Spaans Voorzitterschap plaatsvonden. De Raad Competitiviteit ging op 1 en 2 maart door. Eerst kwam het Raadsonderdeel Industrie & Interne Markt aan bod. De Commissie ging van wal met een inleiding over het nieuwe industriebeleid waarover ze later dit jaar een mededeling wil publiceren. Naast de "bekende punten", zoals als de noodzaak aan een geïntegreerde aanpak, het verband met EU2020, het belang van innovatie en de overgang naar duurzame productie, maakte de Commissie ook gewag van het ontwikkelen van een mechanisme voor de opvolging van het beleid - en dat is nieuw. Ze kondigde ook een conferentie op hoog niveau aan over het industriebeleid. Die zou op 26 april plaatsvinden.

Transformatie

In de discussies hamerden nogal wat lidstaten op de noodzaak om tot een nieuw industriebeleid te komen. Buzz-woorden in dit verband waren "transformatie van de bestaande industrie" naar "een meer duurzame industrie" of "een koolstofarme economie", gestuwd door "groene groei". Verwijzingen naar de "noodzaak om het concurrentievermogen te verbeteren" en naar de banden met de EU2020-strategie en de strijd tegen klimaatverandering waren legio. Duitsland en Frankrijk hamerden op het vermijden van carbon leakage - het verlies aan industriële productie aan derde landen als gevolg van strengere uitstootregels binnen de Unie - en ze vroegen ook aandacht voor energie-intensieve industrie. Andere begrippen die opgeld deden in het debat waren de noodzaak om hernieuwbare energie verder te stimuleren, het belang van kernenergie (Frankrijk !), energie-efficiëntie, grondstoffenefficiëntie, recyclage, en het vraagstuk van de toegankelijkheid tot grondstoffen in de toekomst. Wat de aard van het  nieuweindustriebeleid betreft, hoorde je pleitredes voor een geïntegreerde aanpak, het belang van Onderzoek & Ontwikkeling en de coherentie met het beleid ter zake, met nadruk op instrumenten als clusters en lead markets (markten waarin Europese bedrijven een competitief voordeel op wereldschaal hebben) en het beter vermarkten van onderzoeksresultaten. Vele lidstaten vroegen speciale aandacht voor de KMO's en met name voor de toegang tot risicokapitaal voor KMO's, voor het "menselijk kapitaal", vaardigheden, onderwijs en vorming en het verband met de "digitale agenda" en de "netwerken van de nieuwe generatie".

Speciale aandacht ging er ook naar elektrische voertuigen. Niet alle landen waren het er over eens dat er prioriteit moet worden toegekend aan één technologie. Overeenstemming leek er te zijn over het belang van standaardisatie van de infrastructuur voor elektrische auto's, van de verbetering van de batterijtechnologie en de koppeling van de ontwikkeling van dergelijke voertuigen aan die van de smart grids - elektrische netten die gericht zijn op een optimale aanwending van duurzame energie. Commissaris Tajani gaf al een voorzet op het EU2020-document van de Commissie, dat een dag later pas zou verschijnen. Hij gaf aan dat die zal voortbouwen op de Lissabonstrategie, maar zonder de versnipperde toepassing ervan - een van de grote zwakten van Lissabon. De nieuwe economische groei moet kwalitatief verschillen van de groei van de voorbije decennia. Ook tijdens het debat dat daarop volgde, bleek al dat een land als Duitsland het bijzonder moeilijk had met het opnemen van doelstellingen op het gebied van onderwijs en armoede in de EU2020-strategie. Vooral de nieuwe lidstaten, maar ook Frankrijk, onderstreepten het belang van sociale en regionale cohesie in de nieuwe strategie. De Commissie wees op het cruciale belang van de omzetting en toepassing van de Dienstenrichtlijn, aangezien die sector instaat voor tweederde van het bruto nationaal product en een hoog aandeel werkgelegenheid.

Ook het Raadsonderdeel Onderzoek  boog zich al over de EU2020-strategie. De Commissie maande de Raad aan zich klaar te stomen voor een intensieve discussie over die strategie op de Europese Raad in de herfst. De realisatie van de Europese Onderzoeksruimte wordt daarbij van essentieel belang - onderzoekers moeten zich veel vrijer binnen de EU kunnen bewegen. De Commissie pleitte er voor een klein aantal initiatieven naar voren te schuiven, die in de eerste plaats op maatschappelijke problemen zijn gericht (zogenaamde flagship projects). Er bestaat een nood aan Europese innovatiepartnerschappen om de hele innovatieketen aan elkaar te koppelen. De hele EU moet worden omgevormd tot één krachtige innovatie-economie: de i-conomy, aldus de Commissie. In het debat dat volgde, bleek onder meer dat de meeste lidstaten aanhanger zijn van de 3-%-doelstelling voor investeringen in O&O - alleen de Britten stelden het nut van die indicator in vraag. De beleidsinstrumenten moeten beter op elkaar worden afgestemd en er dringt zich een vereenvoudiging op van de toegang tot de kaderprogramma's. Voor dat laatste pleitten zowel België, Duitsland, Frankrijk, Nederland als het Verenigd Koninkrijk - naast een aantal nieuwere lidstaten.

Namens België was het Waals minister Jean-Claude Marcourt (PS) die het Raadsonderdeel Industrie volgde. Onderzoek werd gevolgd door de Brusselse minister Benoit Cerexhe (CDH).

Werkgelegenheid

Op 8 en 9 maart kwamen de ministers van de EPSCO-Raad  samen in Brussel. Federaal minister Joëlle Milquet (CDH) vertegenwoordigde België voor de werkgelegenheidsdossiers, samen met staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding Philippe Courard (PS). Ook hier weer stond EU2020 centraal. Elke Raadsformatie moet immers een akkoord bereiken over de vertaling van de doelstellingen en van de principes van beheer (de governance) over die strategie op haar niveau. Commissaris Lazlo Andor (HUN) lichtte de mededeling die inmiddels op 3 maart was verschenen, toe. Europa moet de crisis gezamenlijk aanpakken, luidde het, op basis van een slimme, op kennis gebaseerde groei, een duurzame (groene) groei en een inclusieve groei - die streeft naar sociale en territoriale cohesie. De sociale doelstellingen van EU2020 werden hierboven al beschreven. Sommige lidstaten zullen meer moeilijkheden hebben dan andere om die doelstelling te bereiken. Daarom kunnen de lidstaten nationale doelstellingen vooropstellen. Onder de zeven kerninitiatieven (de flagships of vlaggenschepen) zijn er twee die onder de pijler "inclusieve groei" vallen, waarbij gestreefd wordt naar een economie met veel werkgelegenheid en een versterkte "cohesie" tussen beter en minder goed boerende regio's.

Het debat werd gevoerd op basis van een aantal concrete vragen: welke doelstellingen moeten er komen voor werkgelegenheid, gelijkheid en sociale insluiting? Welke rol moet de EPSCO-Raad spelen bij het beheer van die nieuwe Europese strategie voor groei en werkgelegenheid? Iedereen was het er over eens dat de maatregelen moeten gericht zijn op een betere coördinatie onder lidstaten. De economische groei moet worden gekoppeld aan een actief werkgelegenheidsbeleid. De door de Commissie voorgestelde doelstelling voor arbeidsparticipatie - 75 % van de bevolking tussen 20 en 64 moet in 2020 aan het werk zijn - kreeg hier algemene bijval - later zou die, zoals gemeld, door de Europese Raad tussen haakjes worden geplaatst. Wel werd er speciale aandacht gevraagd voor vrouwen en jongeren, ouderen en kansarmen. Financiële  prikkels om mensen aan het werk te helpen en te houden zijn goed tot de arbeidsmarkt zich heeft hersteld, langer niet. Belangrijk is de aandacht die er moet gaan naar de nieuwe kwalificaties die nodig zullen zijn voor de nieuwe economie: de groene economie, sociale diensten, ICT … Van groot belang ook is de aandacht die er moet komen voor het aanhoudend verbeteren van vaardigheden en voor het "levenslang leren".

Vlaanderen steunt de algemeen vastgelegde doelstelling voor werkgelegenheid, maar vindt dat die moet worden aangevuld met strategische "subdoelstellingen" voor vrouwen, 50-plussers, kwetsbare groepen en langdurig werklozen. Vlaanderen is ook een voorstander van operationele doelstellingen om bijvoorbeeld de gemiddelde uittredeleeftijd (pensionering) op te drijven en om een competentieversterkende nieuwe start voor elke werkzoekende voor te bereiden (smart new start), de beschikbaarheid van kwaliteitsvolle kinderopvang, enzovoort.

Op de agenda van de EPSCO-Raad stond ook het thema "voorkoming en uitbanning van geweld tegen vrouwen". Dat is een van de prioriteiten van het Spaans Voorzitterschap van de Raad van Ministers. Een van de goedgekeurde Raadsconclusies sloeg op de invoering van een gratis telefoonnummers voor vrouwen die mishandeld worden, het oprichten van een "Europees Observatorium" voor het verkrijgen van statistisch materiaal, en om de lidstaten aan te sporen verder initiatieven te ontwikkeling over de bestrijding van geweld op vrouwen. Vlaanderen kon zich in die Raadsconclusies vinden en is voorstander van een integrale aanpak van dit probleem.

Passagiersrechten

Het Raadsdeel Transport van de Raad Transport, Telecom en Energie blies verzamelen op 11 maart. België werd er vertegenwoordigd door federaal staatssecretaris Etienne Schouppe. De agenda van deze Raad was beperkt, en de nadruk lag op enkele luchtvaartdossiers: een voorstel van richtlijn betreffende vervoerbare drukapparatuur; voorstel van richtlijn inzake de heffingen voor de beveiliging van de luchtvaart; voorstel van verordening inzake onderzoek en preventie van ongevallen in de burgerluchtvaart; onderhandelingen met de Verenigde Staten over luchtvervoersdiensten (2e fase). Belangrijk voor Vlaanderen was het aannemen, in eerste lezing, van de "Verordening Passagiersrechten bus en autocar" en de "Verordening Passagiersrechten zee- en binnenvaart". Dat zijn nieuwe reglementeringen die belangrijke gevolgen zouden kunnen hebben voor de uitbatingkosten van overheidsorganisaties als De Lijn en de Vlaamse veerdiensten en die dan ook door de Vlaamse Overheid met argusogen worden gevolgd. De onderhandelingen erover met het Europees Parlement kunnen nu worden aangevat.

Onder de variapunten werden twee mededelingen verspreid over de Informele Raad Stedelijke Mobiliteit, die op 11 en 12 februari plaatsvond, en de Informele Raad Concurrentievermogen, die van 7 tot 9 februari handelde over elektrische auto's. Verder betreurde de Commissie in een mededeling de treinramp in Buizingen. De Commissie herhaalde nog eens dat zij geen verband ziet met de Europese liberalisering van het spoor. Staatssecretaris Schouppe stelde dat verder onderzoek nodig is om de juiste oorzaak van de ramp aan te tonen. Veiligheid op het spoor blijft een prioriteit en Belgie blijft streven naar een Europees spoorbeveiligingssysteem.

De eerste vergadering van het Raadsonderdeel Energie van 2010 vond plaats in bijzondere omstandigheden, met niet alleen een nieuwe Commissaris, maar ook een nieuwe organisatiestructuur na de opsplitsing van het vroegere DG TREN van de Commissie in een DGMOVE (Mobiliteit en Transport) en een DGENER (Energie). 2009 was op wetgevend vlak een bijzonder druk energiejaar, en al die initiatieven moeten nu uitgevoerd worden. Tenslotte moet ook het Raadsonderdeel Energie zich buigen over de horizontale EU2020-strategie. Gevolg van dat alles was een vrij vlakke agenda.  2010 zal voor Energie vooral in het teken staan van de implementatie en van de beleidsvoorbereiding. Geen problemen leverde een voorstel tot Verordening over de Notificatie van Investeringsprojecten in de Energiesector op. De Raad nam ook vlot de conclusies aan over de mededeling van de Commissie rond "Investeren in koolstofarme technologieën" (het SET-Plan). Commissaris Günther Oettingen (D) herhaalde in dit verband dat er echt wel extra investeringen nodig zijn, wil de EU haar voorsprong inzake groene technologie behouden, de klimaatdoelstellingen wil halen en de energiezekerheid wil verhogen.

SET-Plan

De gedachtewisseling over het Energieluik van de EU2020-strategie verliep vrij vlak - wellicht omdat de vraagstelling zeer algemeen was gehouden. Eerst lichtte de Commissie het "Vlaggenschipinitiatief Resource Efficient Europe" toe. Europa moet werk maken van zijn interne energiemarkt, van de stimulering van duurzame innovatieve technologie (via het hierboven vermelde SET-plan), van slimme energienetwerken en van een Europees supernetwerk, en het moet aandacht blijven opbrengen voor energie-efficiëntie. Wijzigingen in ons productie- en consumptiepatroon blijven noodzakelijk. In het infrastructuurdebat was wel een duidelijk accentverschil merkbaar tussen de oude en de nieuwe lidstaten. Waar die laatste vooral pleitten voor Europese financiering van interconnecties in de gas- en olienetwerken, legden de tweede de nadruk op investeringen in slimme netwerken, die in staat zullen zijn om gedecentraliseerde hernieuwbare energiebronnen aan te sluiten. De Duitse interventie viel op door haar duidelijkheid: het Europees energiebeleid moet zich richten op drie prioriteiten: technologie; energie-infrastructuur, gedreven door de markt en gericht op hernieuwbare bronnen, met als voorbeeld het North Sea Grid, en energie-efficiëntie. Duitsland verklaarde zich ook niet gekant tegen bindende doelstellingen inzake energiebesparing - dé hamvraag voor het nieuwe Energie-efficiëntie Actieplan (EAP), maar er moet eerst overeenstemming zijn over wat er precies onder besparing wordt verstaan, en over de methodes van meten.

Bij monde van federaal minister Paul Magnette (PS), drukte België zijn ontgoocheling uit over het vermeende gebrek aan ambitie van het EU2020-document. De Raad zou beter het voortouw nemen in het resoluut richten op de ontwikkeling van een koolstofarme economie, zei hij. Magnette vroeg ook aandacht voor het probleem van de gebrekkige toegang tot energie voor kwetsbare gebruikers. Meerdere delegaties drongen aan op een langetermijnplan voor zo'n koolstofarme economie ("Routekaart 2050") en op een snelle publicatie van het nieuwe Energie Actieplan (EAP) voor de korte en middellange termijn (rond 2015). Rond dat nieuwe EAP blijft het immers bij de Commissie nogal stil, vinden velen. Meerdere landen drongen ook aan op een coördinatie inzake EU2020 tussen de Energieraad en de Milieuraad. In zijn repliek kondigde Commissaris Oettinger aan dat de Commissie in mei met een Mededeling voor het EAP komt. Dat moet in januari 2011 uitmonden in een nieuw plan. Bovendien komt er een debat over de financiering van het Energiebeleid, zei hij.

Magnette was er opnieuw bij, op 15 maart, toen de Raad Leefmilieu samenkwam, maar dan in zijn functie van assessor. Vlaams minister Joke Schauvliege (CD&V) vertegenwoordigde België op die Raad, die zich boog over de Richtlijn Bodembescherming, biodiversiteit, klimaat, de CO2-uitstoot van lichte vrachtwagens en - hoe kon het anders - EU2020.

Bodemrichtlijn

Het Spaans Voorzitterschap had de Richtlijn Bodembescherming door middel van een voortgangsrapport op de agenda gezet, ondanks het bestaan van een minderheidsblokkering. Die minderheid verroerde overigens geen vin. Landen als Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Oostenrijk blijven op hun standpunt dat de Richtlijn een onding wordt door de hoge administratieve lasten die aan de uitvoering zou verbonden zijn, en omdat de bodemproblematiek een nationale, en in se geen grensoverschrijdende aangelegenheid zou zijn. Commissaris Janez Potocnik (SLO) nam onder andere die laatste "subsidiariteitsoverweging" zwaar onder vuur. De toestand van de bodem is wel degelijk van enorm belang op klimaat en biodiversiteit - kwesties waarvan men de Europese bevoegdheid niet betwist, viel hij uit. België behoort tot het kamp van de voorstanders, maar het zal terdege rekening moeten houden met de "vermoeidheid" die zich van zijn medestanders meester maakt, bij gebrek aan perspectief. Misschien komt er wel een geheel nieuw initiatief. Discussies over de conclusies inzake biodiversiteit, waarin een nieuwe Europese doelstelling voor 2020 in verband met verlies aan biodiversiteit werd vastgelegd, samen met een visie inzake biodiversiteit voor 2050, waren er niet meer. De Raad bepaalde de Europese positie voor de komende mondiale onderhandelingen in Nagoya, in oktober, onder Belgisch Voorzitterschap. Opvallend was de brede steun voor de verdergaande integratie van biodiversiteit in andere beleidsdomeinen, onder ander via het EU2020-proces, en de koppeling aan het klimaatbeleid.

In haar conclusies bevestigde de Raad grotendeels de bestaande EU-posities over allerlei aspecten van het internationaal klimaatbeleid. De Commissie zal voor de zomer een inschatting maken van de engagementen van de andere partijen onder het Kopenhagen Akkoord van december 2009, en bijgevolg ook over de mogelijke optrekking van de EU-doelstelling inzake uitstoot van schadelijke broeikasgassen van 20 naar 30 %. De EU is alleen bereid die forse extra inspanning te leveren, als ook een belangrijk deel van de rest van de wereldgemeenschap zich serieus inzet.

In de EU2020-discussies klonken opvallend kritische geluiden over de bevoorrechte rol die de Ecofin Raad daarbinnen toegemeten krijgt. Vanuit België kwam een vraag naar versterking en uitbreiding van de milieupijler, onder meer met het oog op biodiversiteit, en naar de integratie van leefmilieu in andere beleidsdomeinen. Minister Schauvliege maakte van de gelegenheid gebruik om speciale aandacht te vragen voor het Duurzaam Materialenbeheer, dat een prioriteit wordt onder het komende Belgische Voorzitterschap, onder meer als thema van een Informele Raad.

Een forse reductie van de CO2-uitstoot van lichte vrachtwagens kwam aan bod in de vorm van een oriënterend debat. De posities van de lidstaten liggen nog sterk uiteen, zowel over de zwaarte van sancties als over de concrete ambities voor 2020. Voor Vlaanderen zijn ambitieuze normen van belang om onze eigen klimaatdoelstellingen te halen. Onder "varia" pleitte minister Schauvliege voor een omvattende nieuwe Richtlijn Bioafval, waarvan de besprekingen zouden kunnen starten onder Belgisch Voorzitterschap.

De Raad Ecofin vergaderde op 16 maart. De hele vergadering was gericht op de voorbereiding van de Lentetop, en op de Griekse financiële en budgettaire crisis. De Raad keurde een algemene benadering goed over een ontwerprichtlijn gericht op de vereenvoudiging van de BTW-inningen, meer bepaald met behulp van elektronica, en een richtlijn die de wederzijdse bijstand van de lidstaten bij het innen van belastingen moet bevorderen. Ook keurde de Raad een richtlijn goed die een einde moet stellen aan BTW-fraude in de handel in broeikasgasuitstoot-certificaten.

3000ste Zitting van de Raad

Een fait-divers, ongetwijfeld, maar de EPSCO-Raad die op 8 maart in Brussel bijeenkwam, was de 3000ste zitting van die Raad van de Europese Unie in een van haar formaties of sectoriele gedaanteverschijningen. De huidige telling van de Raadszittingen dateert uit de tijd van de inwerkingtreding van het "Fusieverdrag" op 1 juli 1967, waarbij er één Raad en één Europese Commissie werden ingesteld. Voor die datum waren er al zo'n 460 zittingen geweest van de Raad van de Europese Gemeenschap (EEG) en van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EGA), sinds 1958. De Raad van de Europese Unie, ook de Raad van Ministers genoemd, en soms met zijn Latijnse naam Consilium aangeduid, is een van de kerninstellingen van de EU, naast de Commissie, het Europees Parlement, het Europees Hof van Justitie en de Europese Raad - ook de Top van Staatshoofden en Regeringsleiders genoemd. De Raad van de Europese Unie oefent samen met het Europees Parlement de wetgevings- en de begrotingsfunctie uit. De Raad verricht beleidsbepalende taken, vooral op het gebied van buitenlandse zaken, en coördinerende taken, vooral op economisch gebied. De Raad bestaat uit één vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau, die de regering(en) van de lidstaat die hij of zij vertegenwoordigt, kan binden, en die het stemrecht kan uitoefenen. Binnen het Belgische federale systeem kunnen ook deelstaat-ministers voor bepaalde materies het geheel van het land vertegenwoordigen. Binnen de huidige toerbeurtregeling zijn dat aan Vlaamse kant naast minister Joke Schauvliege (CD&V) voor Leefmilieu, ook minister Pascal Smet (SP.a) voor Onderwijs en Jeugd, minister Philippe Muyters (NV-A) voor Sport, en MP Kris Peeters voor Visserij.

Met de hulp van de attachés van de Vlaamse Vertegenwoordiging en van de federale overheid binnen de PV en van de EU-Cel van het Departement internationaal Vlaanderen.